Nu het weideseizoen ten einde loopt, adviseert Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) melkveehouders om hun veestapel te controleren op inwendige parasieten. Besmettingen met maagdarmwormen en leverbot kunnen de diergezondheid en melkproductie negatief beïnvloeden. Door kort na het opstallen onderzoek uit te voeren, kunnen melkveehouders samen met hun bedrijfsdierenarts bepalen of een behandeling nodig is.
De besmettingsdruk van parasieten verschilt van jaar tot jaar. Volgens DGZ spelen onder meer de weersomstandigheden en het weidebeheer daarbij een rol. Een jaarlijkse controle na het opstallen geeft inzicht in de blootstelling van de veestapel aan parasieten. De resultaten kunnen helpen om het preventiebeleid te beoordelen en de aanpak voor het volgende weideseizoen bij te sturen.
Maagdarmwormen en leverbot
Twee belangrijke inwendige parasieten bij runderen zijn de maagdarmworm Ostertagia ostertagi en de leverbot Fasciola hepatica. Runderen kunnen tijdens het grazen met beide parasieten besmet raken.
De maagdarmworm leeft in de lebmaag, terwijl de leverbot de lever aantast. Voor de ontwikkeling van leverbot is bovendien een tussengastheer nodig: de leverbotslak.
Een hoge besmettingsgraad kan gevolgen hebben voor de gezondheid en productieresultaten van de dieren. Daarom raadt DGZ aan om de blootstelling aan deze parasieten na het weideseizoen in kaart te brengen.
Tankmelkonderzoek geeft inzicht in besmettingsdruk
Melkveehouders kunnen met het Parasitair Profiel de blootstelling van hun veestapel aan maagdarmwormen en leverbot laten onderzoeken.
Bij dit onderzoek worden via een ELISA-test antistoffen tegen beide parasieten in tankmelk gemeten. De resultaten worden uitgedrukt in een ODR-waarde, de optische densiteitsratio.
Deze waarde geeft een indicatie van de blootstelling aan parasieten op bedrijfsniveau en het risico op productieverliezen. Het onderzoek toont niet rechtstreeks aan hoeveel parasieten op dat moment aanwezig zijn.
Bij Ostertagia ostertagi kan de ODR-waarde ook helpen om het mogelijke melkproductieverlies op bedrijfsniveau in te schatten.
De bedrijfsdierenarts kan de onderzoeksresultaten combineren met informatie over het weidebeheer, eerdere behandelingen en de voorgeschiedenis van het bedrijf. Op basis daarvan kan worden beoordeeld of een behandeling nodig is.
Het tankmelkonderzoek wordt uitgevoerd door MCC. Melkveehouders kunnen hiervoor het aanvraagformulier ‘diagnostiek melk’ gebruiken en de antistofbepalingen voor zowel Ostertagia als Fasciola aanduiden.
Ook jongvee controleren na opstallen
Naast tankmelkonderzoek adviseert DGZ om jongvee dat zijn eerste weideseizoen achter de rug heeft te onderzoeken. Hiervoor kan bij een groep dieren het pepsinogeengehalte in het bloed worden bepaald.
Deze test helpt om de blootstelling aan de maagdarmworm Ostertagia ostertagi tijdens het afgelopen weideseizoen te beoordelen.
Pepsinogeen is de voorloper van pepsine, een enzym dat betrokken is bij de eiwitvertering. Bij een besmetting met maagdarmwormen kan het slijmvlies van de lebmaag beschadigd raken en kan de maaginhoud minder zuur worden.
Daardoor wordt pepsinogeen minder goed omgezet in pepsine. Bovendien kan via het beschadigde slijmvlies meer pepsinogeen in het bloed terechtkomen. Een verhoogde waarde kan daardoor wijzen op schade aan de lebmaag.
Bloedonderzoek binnen twee weken uitvoeren
DGZ benadrukt dat de timing van het bloedonderzoek belangrijk is. De organisatie adviseert om bloedstalen bij voorkeur binnen de eerste twee weken na het opstallen te laten nemen.
Het pepsinogeengehalte kan na het opstallen namelijk dalen. Wanneer het onderzoek later plaatsvindt, zijn de resultaten minder geschikt om de blootstelling aan maagdarmwormen tijdens het afgelopen weideseizoen te beoordelen.
De pepsinogeenbepaling kan bij DGZ worden aangevraagd via het formulier ‘aanvraag onderzoek rundvee’, onder het onderdeel ‘Klinische biochemie’.
Parasietenbestrijding afstemmen op onderzoeksresultaten
Met de resultaten van het tankmelkonderzoek en de pepsinogeentest kunnen melkveehouders samen met hun bedrijfsdierenarts beoordelen of een opstalbehandeling nodig is.
Daarnaast bieden de onderzoeken aanknopingspunten om het preventiebeleid van het afgelopen weideseizoen te evalueren en maatregelen voor het volgende weideseizoen te bepalen.
DGZ wijst erop dat naast maagdarmwormen en leverbot ook andere parasieten productieverliezen kunnen veroorzaken. De organisatie adviseert daarom om parasietencontrole structureel op te nemen in het bedrijfsmanagement.
Bron: Dierengezondheidszorg Vlaanderen
Beeld: beeldarchief Prosu




