Door de droogte neemt de kwaliteit van maïs op verschillende percelen af. Vooral percelen met weinig of geen kolf vragen om een andere aanpak. Ook de afrijping verloopt snel. Daarom is het belangrijk om het gewas regelmatig te controleren en het oogstmoment per perceel te bepalen, zo meldt Agrifirm. Daarbij spelen de ontwikkeling van de kolf, het vochtgehalte van de plant en de kans op perssapverliezen een belangrijke rol.
Kolf en plant controleren voor het hakselen
Bij maïs met een gevulde kolf en nog meerdere groene bladeren kan de rijpheid van de kolf leidend zijn voor het oogstmoment. Omdat de afrijping snel verloopt, is regelmatige controle nodig. Een haksellengte van 10 tot 20 millimeter is hierbij een uitgangspunt volgens Agrifirm.
Bij maïs met een nog niet gevulde kolf en duidelijke verdrogingsverschijnselen ligt het anders. Als het gewas sterk is verdroogd, kan hakselen nodig zijn. Snijd daarvoor enkele stengels open om de vochttoestand te beoordelen. Komt er nauwelijks nog vocht uit de stengel, dan is de kans op grote perssapverliezen kleiner. Het suikergehalte kan in sterk verdroogde maïs relatief hoog zijn.
Wanneer weinig of geen kolf aanwezig is, kan het drogestofgehalte van de kuil tegenvallen. Een absorberende laag onder in de kuil kan dan helpen om eventueel perssap op te vangen. Bij sterk verdroogde maïs zonder kolf is het bovendien de vraag of oogsten nog zinvol is. Maak die afweging per perceel. Wordt het gewas toch geoogst, dan is apart inkuilen een optie. Een haksellengte van 15 tot 20 millimeter kan daarbij worden aangehouden.
Vochtgehalte bij inkuilen
Het vochtgehalte van de maïs bepaalt mede hoe de kuil zich ontwikkelt. Bij sterk verdroogde planten is het daarom belangrijk om vooraf te beoordelen hoeveel vocht nog in het gewas aanwezig is. Bij een relatief nat gewas kunnen perssapverliezen ontstaan. Een absorberende laag onder in de kuil kan deze verliezen gedeeltelijk beperken, meldt Agrifirm.
Bij maïs met weinig of onrijpe kolven is extra aandacht nodig voor het drogestofgehalte. De afwezigheid van voldoende kolfmateriaal kan ervoor zorgen dat het drogestofgehalte van het geoogste product lager uitvalt dan verwacht. Controleer daarom per perceel de toestand van het gewas voordat de hakselaar het land op gaat.
Vanggewas vraagt om voldoende vocht
Wie na de maïsoogst nog een vanggewas wil telen dat later als ruwvoer kan worden benut, moet rekening houden met de vochttoestand van de bovenlaag. Voor een goede kieming is voldoende vocht in de bovenste 5 centimeter van de bodem nodig.
Bij een droog perceel kan een lichte grondbewerking voorafgaand aan het zaaien worden uitgevoerd. Daarna kan het vanggewas worden ingezaaid. Een goede aansluiting tussen grondbewerking en zaaien helpt om het beschikbare vocht zo goed mogelijk te benutten.
Bij de bemesting gelden daarnaast wettelijke voorwaarden. Zo is het uitrijden van drijfmest bij het inzaaien van het vanggewas niet toegestaan. Op bouwland kan drijfmest nog worden uitgereden als het vanggewas vóór 15 september wordt ingezaaid. Bij maïsoogst vóór 1 september gelden andere voorwaarden, omdat het vanggewas dan als rustgewas wordt ingezet.
Controleer de hakselaar voor de oogst
Ook de afstelling van de hakselaar verdient aandacht. Een gemiddelde haksellengte van ongeveer 10 millimeter wordt als uitgangspunt genoemd. Daarbij ligt de variatie tussen ongeveer 5 en 15 millimeter. Controleer dit door meerdere gehakselde deeltjes op te meten.
Daarnaast moet de korrelkneuzer goed zijn afgesteld. Een praktische controle is om ongeveer 1 liter gehakselde maïs in een emmer water te doen. Controleer vervolgens hoeveel halve of hele korrels zichtbaar zijn. Zijn er meer dan twee hele korrels aanwezig, dan staat de korrelkneuzer volgens de aangeleverde informatie niet strak genoeg afgesteld.
Tekst: Esmee Groot Roessink




