Minister van Landbouw Jo Brouns wil met Europa het gesprek aangaan over een ruimere inzet van dierlijke mest op grasland. Volgens de minister laten de Vlaamse cijfers zien dat grasland stikstof goed benut en relatief lage nitraatresiduwaarden heeft. Tegelijk ziet hij in RENURE een belangrijke mogelijkheid om de afhankelijkheid van dure ingevoerde kunstmest te verkleinen.
Brouns schrijft dat in antwoord op een schriftelijke vraag van Vlaams Parlementslid Dries Devillé over het Europese mestbeleid en de hoge kunstmestprijzen.
De kunstmestprijzen blijven volgens Brouns hoog en volatiel. Door de afhankelijkheid van import en verstoringen in de aanvoerketen zetten die prijzen de rendabiliteit van landbouwbedrijven onder druk. De minister verwelkomt daarom maatregelen van de Europese Commissie om landbouwers tijdelijk financieel te ondersteunen.
Volgens Brouns kunnen onder meer inkomenssteun, compensaties voor hogere productiekosten, liquiditeitssteun en een vervroegde uitbetaling van bestaande GLB-steun landbouwbedrijven tijdelijk ademruimte geven. Structurele oplossingen blijven volgens hem echter noodzakelijk.
Mogelijkheden voor derogatie op grasland
De positie van Brouns over dierlijke mest op grasland die in het antwoord wordt geschetst is relevant. De minister wil met Europa spreken over een verhoogd gebruik van dierlijke mest via een vorm van derogatie.
Hij wijst erop dat grasland, samen met bieten, in Vlaanderen tot de teeltgroepen met de laagste nitraatresiduwaarden behoort. Gras neemt volgens hem gedurende een groot deel van het jaar stikstof op en kan die stikstof daardoor goed benutten.
Volgens Brouns is grasland vanuit teelt- en bemestingsoogpunt daarom nog steeds geschikt voor een derogatieregeling. Een lopende procedure voor het Europees Hof van Justitie bemoeilijkt het volgens hem momenteel echter om een derogatie te verkrijgen.
RENURE als kunstmestvervanger
Naast dierlijke mest ziet Brouns vooral mogelijkheden voor RENURE. Vlaanderen zet volgens de minister nadrukkelijk in op deze vorm van nutriëntenrecuperatie. Het gebruik van RENURE kan volgens hem niet alleen de afhankelijkheid van ingevoerde kunstmest verkleinen, maar ook bijdragen aan een meer circulair gebruik van nutriënten.
Ook digestaten kunnen mogelijkheden bieden. De werking ervan is volgens Brouns wel sterk afhankelijk van de gebruikte grondstoffen, het vergistingsproces en de nabehandeling.
Dierlijke mest niet altijd vervanger kunstmest
Brouns plaatst tegelijkertijd een kanttekening bij een volledige vervanging van kunstmest door dierlijke mest. Bij andere teelten dan grasland blijven meststoffen met een hoge stikstofwerking volgens hem belangrijk om gericht te kunnen bijbemesten.
De hoeveelheid stikstof die uit dierlijke mest beschikbaar komt, is minder voorspelbaar. Daardoor kan volgens de minister het risico op stikstofverliezen toenemen. Kunstmest en hoogwaardige mestverwerkingsproducten zoals RENURE blijven daarom volgens hem nodig om productie en milieu-impact op elkaar af te stemmen.
De huidige beperkingen op het gebruik van dierlijke mest hebben volgens Brouns dan ook in de eerste plaats te maken met het voorkomen van nutriëntenverliezen en niet met de prijs of beschikbaarheid van kunstmest.
‘Meer eigen nutriënten benutten’
Brouns zegt binnen de Europese besluitvorming te blijven pleiten voor een betere benutting van eigen nutriëntenstromen, waaronder dierlijke mest en hoogwaardige mestverwerkingsproducten.
De Europese landbouwcrisisreserve ziet hij daarbij vooral als een tijdelijke maatregel om landbouwers door een periode met hoge kunstmestprijzen te helpen. Die steun mag volgens hem structurele veranderingen richting een meer circulair nutriëntenbeheer niet vervangen.
Vlaanderen zal er volgens de minister bij Europa op blijven aandringen dat de regelgeving verder evolueert, zodat dierlijke mest en verwerkte mestproducten ruimer kunnen worden benut zonder afbreuk te doen aan de milieudoelstellingen.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: Pixabay




