Binnen het project GePASt beweiden van Inagro, ILVO en Boerenbond, is onderzocht hoe effectief beweiding is onder Vlaamse omstandigheden. Daarbij werd gekeken naar grasopname, voederwaarde, groei en rendabiliteit. De onderzoekers delen de belangrijkste bevindingen in een eindbrochure.
Wat bepaalt grasopname bij beweiding?
De grasopname van koeien wordt in de eerste plaats bepaald door het aanbod, de kwaliteit en de smakelijkheid van het gras, volgens de inzichten uit het project GePASt beweiden. Daarnaast speelt de seizoensinvloed een duidelijke rol. In het voorjaar is er doorgaans een hoge groei en goed aanbod, terwijl in de zomer vaak een daling optreedt door droogte, wat zowel de hoeveelheid als de voederwaarde beïnvloedt. In het najaar herstelt de grasgroei zich meestal opnieuw.
Verder zijn er bijkomende factoren die de opname beïnvloeden. Zo kan bijvoeding de graasmotivatie verlagen wanneer deze te ruim of te energierijk is. Bovendien verschilt de voeropnamecapaciteit per dier, waardoor niet elke koe evenveel droge stof kan opnemen. Ook de duur van weidegang is relevant: elke extra weide-uur levert gemiddeld 0,8 tot 1,4 kg droge stof vers gras op. Wie rendement wil halen uit beweiding, moet aanbod, kwaliteit en rantsoen daarom goed op elkaar afstemmen.
Beweiding bij melkvee en de rol van de VEM-behoefte
De VEM-behoeftemethode brengt de energiebehoefte van melkkoeien in kaart, inclusief onderhoud, melkproductie en dracht. Vervolgens wordt berekend welk deel via het stalrantsoen wordt gedekt en welk deel uit grasopname moet komen. Hierdoor ontstaat inzicht in de noodzakelijke opname op de weide.
Volgens de analyse op zeven melkveebedrijven was de VEM-behoefte in meerdere gevallen volledig gedekt door het stalrantsoen. Daardoor nam de prikkel om te grazen af, wat op bedrijven ook werd samengevat als “beweiden loopt moeilijk”. Daarentegen waren er bedrijven waar koeien wel afhankelijk waren van grasopname om hun behoefte te halen. Daar varieerde de opname van 0,68 tot 8,40 kg droge stof per koe per dag, afhankelijk van seizoen en grasaanbod.
De voordelen van beweiding werden op deze bedrijven al snel duidelijk. Zo steeg de voerefficiëntie en nam het voersaldo per 100 kg meetmelk toe. Daarnaast daalde het krachtvoederverbruik. Zodra koeien effectief gras opnemen rendeert beweiden echt, concludeerden de onderzoekers.
Jongvee: groei en opvolging op de weide
Jongvee moet voldoende groeien om tijdig en goed ontwikkeld te zijn voor afkalven. Onvoldoende grasaanbod of lage graskwaliteit kan die groei vertragen. Uit metingen op acht jongveeweides blijkt dat beperkte groei vaak samenhangt met beide factoren.
Daarnaast is opvolging van de weidesituatie belangrijk. Wanneer het grasaanbod daalt, is het nodig om dieren te verplaatsen, de weideoppervlakte aan te passen of bijvoeding te voorzien. Wanneer zowel aanbod als kwaliteit voldoende zijn, kan jongvee volgens de inzichten uit het onderzoek zonder groeiverlies op gras blijven grazen. Continue monitoren is essentieel om groeivertraging te voorkomen.
Besluit: rendement hangt af van opname
Beweiding is onder Vlaamse omstandigheden technisch en economisch toepasbaar, volgens de bevindingen van GePASt beweiden. Het resultaat hangt sterk af van de effectieve opname van vers gras. Daarom is afstemming tussen grasaanbod, weidesysteem en rantsoen noodzakelijk.
Daarnaast speelt bijvoeding een rol in de graasmotivatie, waardoor timing en samenstelling belangrijk zijn. Bovendien moet het systeem aansluiten bij de bedrijfsvoering. Wie deze elementen combineert, realiseert een betere benutting van gras binnen het rantsoen en een gunstiger voersaldo, terwijl ook het krachtvoederverbruik afneemt.
Tekst: Esmee Groot Roessink




