Tijdens de ontbijtsessie op de Agridagen in Ravels leidde ILVO-communicatieverantwoordelijke Greet Riebbels het gesprek over een vraag die steeds nadrukkelijker op tafel ligt: kan het klassieke gezinsbedrijf alle bijkomende verplichtingen nog torsen? Marketing, fiscaliteit, personeelsbeleid, duurzaamheidsmonitoring, kwaliteitssystemen… Het ondernemerschap in land- en tuinbouw is al lang geen 9-tot-5-verhaal meer. En dat zonder vakantiedagen of dertiende maand. Is dit voor gezinsbedrijven vol te houden?
Samen met Anne-Marie Vangeenberghe van Boerenbond, Jan Leyten van KBC en Lies Messely (ILVO) werd vooruitgeblikt naar 2040. Blijft het gezinsbedrijf de hoeksteen van de Vlaamse land- en tuinbouw. En zo ja, in welke vorm?
Van ‘groter dan mijn ouders’ naar ‘werkbaar voor mezelf’
Anne-Marie Vangeenberghe ziet een duidelijke mentaliteitswijziging bij jonge landbouwers. “Tot een tiental jaar geleden hoorde je vaak: ik wil hetzelfde als mijn ouders, maar groter. Vandaag klinkt dat veel minder. Nu hoor je: het mag ook kleiner.”
De vanzelfsprekendheid dat een partner mee instapt in het bedrijf, is weggevallen. Het bedrijf moet in principe alleen gemanaged kunnen worden. Groei blijft voor velen een ambitie, maar wel op eigen tempo en met oog voor levenskwaliteit.
Het klassieke model van pa en ma – hard werken, schaalvergroting als vanzelfsprekend doel – staat onder druk. Niet alleen economisch, maar ook sociaal. Jonge ondernemers willen autonomie, maar ook ondersteuning. De vraag rijst dan: hoe zelfstandig is een zelfstandige nog?
Nood aan ontzorging en samenwerking
Boeren geven steeds vaker aan dat ze ‘ontzorgd’ willen worden. Administratie, milieudossiers, personeelsbeheer: het vraagt gespecialiseerde kennis en veel tijd.
Een voltijdse extra kracht aannemen is voor veel bedrijven niet haalbaar. Maar wat als vijf boeren uit de buurt samen één medewerker in dienst nemen? Ook op vlak van vermarkting duiken samenwerkingen op. Wie een nicheproduct ontwikkelt, botst vaak op een markt die volume vraagt. Dan wordt samenwerking een manier om schaal te maken zonder individuele megagroei.
Gezinsbedrijven zoeken met andere woorden een schild om risico’s te spreiden, kosten te delen en sterker te staan in de keten.
2040: minder bedrijven, andere bedrijven
Jan Leyten schetste een toekomstbeeld met 2040 als horizon. Dat lijkt ver weg, maar ligt amper vijftien jaar voor ons.
Sinds 2000 daalde het aantal land- en tuinbouwbedrijven in Vlaanderen met 25 procent. Door vergrijzing en structurele druk verwacht men een versnelde afname. Tegen 2040 zouden er nog ongeveer 10.000 bedrijven overblijven, een derde minder dan in 2000.
Toch verwacht Leyten geen spectaculair ander landschap. Ongeveer 80 procent van de bedrijven zal nog steeds familiaal georganiseerd zijn. Ze worden wellicht iets groter, professioneler en sterker ingebed in samenwerkingen binnen de keten. Verbreding in de vorm van korte keten, verwerking of nevenactiviteiten zal aan belang winnen.
De overige 20 procent zal sterk doorgroeien via samenwerkingen, overnames of fusies. In sectoren als glastuinbouw, melkvee, varkenshouderij en sierteelt zien we vandaag al bedrijven die fors opschalen, vaak met extern kapitaal. Ze mikken op efficiëntie, schaalvoordelen en verregaande verticale integratie, inclusief eigen vermarkting en verpakking.
Opvallend is de verschuiving in omzetverdeling. Vandaag realiseert 20 procent van de bedrijven 70 procent van de omzet. Tien jaar geleden was dat nog 60 procent. Binnen tien jaar zou dat 80 procent kunnen zijn. De concentratie neemt toe.
Concurrentiepositie van het gezinsbedrijf
Betekent dit dat het gezinsbedrijf terrein verliest? Niet noodzakelijk. Volgens Leyten zullen familiale bedrijven geleidelijk groeien en sterker inzetten op milieu- en klimaatprestaties. Daar liggen ook inkomenskansen, onder meer via subsidies en marktvergoedingen.
Maar omzet alleen is niet de maatstaf. Zoals in de zaal werd benadrukt: wat blijft er onder de streep over? Kan het gezin ervan leven? Dat is de kernvraag.
Anne-Marie Vangeenberghe deed een warme oproep aan collega’s: “Sta stil bij de vraag waar je ontzorgd wil worden. Administratie? Personeel? Afzet? Durf daar bewust keuzes in te maken.”
Vier organisatiemodellen onder de loep
Lies Messely lichtte onderzoek toe naar werkbare modellen voor gezinslandbouw. In België draait 75 procent van de bedrijven volledig of voor meer dan de helft op familiale arbeid. Het aantal bedrijven daalt, maar het aandeel familiale arbeid blijft hoog en de schaal per bedrijf neemt toe.
Toch staat het familiale model onder druk door:
- economische schaaldruk,
- complexe regelgeving,
- hoge kapitaal- en investeringsnoden,
- werkdruk en opvolgingsproblemen.
ILVO onderscheidt vier organisatiemodellen:
- Family: het traditionele gezinsbedrijf, gedragen door familiale arbeid en sterk verankerd in de omgeving.
- Corporate: geleid door een CEO, sterk kapitaal- en technologiegedreven, met personeel in dienst.
- Community: samenwerking met burgers, bijvoorbeeld via oogstaandeel of meewerksystemen.
- Publiek model: landbouw op gronden in handen van een publieke organisatie, centraal aangestuurd (zoals stadslandbouwprojecten).
De trend toont dat familiale bedrijven evolueren richting een meer corporate aanpak, met meer professionalisering en externe samenwerking. Tegelijk groeit de interesse in community-modellen. Elk model heeft echter ook nadelen, zoals verlies aan autonomie of extra risico’s.
Bewuste keuzes over samenwerking en duurzaamheid
De rode draad doorheen het debat: denk strategisch na over je visie en doelstellingen. Welke intensiteit van samenwerking past bij jouw bedrijf? Samen aankopen? Samen produceren? Of samen afzetten?
ILVO wil de komende periode organisatiemodellen, samenwerkingsvormen en duurzaamheidskeuzes in binnen- en buitenland in kaart brengen. Wat werkt, en onder welke voorwaarden? Vanaf maart start een bijkomende onderzoeker om dit traject verder uit te rollen. De oproep aan landbouwers is duidelijk: deel ervaringen en geleerde lessen.
Het gezinsbedrijf als hoeksteen – maar niet onaantastbaar
Vlaanderen telt nog steeds veel familiale bedrijven. De vraag is niet alleen of we ze familiaal kunnen houden, maar ook wat daarvoor nodig is. Ontzorging, samenwerking, eerlijke inkomensvorming en een werkbaar evenwicht tussen bedrijf en gezin lijken sleutelwoorden.
De toekomst van het gezinsbedrijf ligt niet in blind groeien, maar in doordacht organiseren. Richting 2040 wordt niet alleen de schaal bepalend, maar vooral het model erachter.
Slotbeschouwing: niet harder lopen, maar slimmer organiseren
Joris Relaes is hoofd van ILVO en tevens auteur van het boek ‘Het komt goed met ons eten’. In zijn slotbeschouwing trok Relaes het debat naar een bredere economische context. Landbouw maakt volgens hem mee wat ook bij bakkers, fietsenmakers en andere zelfstandigen gebeurde.
“Vroeger bakte de bakker wit en bruin brood en hoefde hij zich weinig vragen te stellen over afzet. Vandaag liggen er tien tot twintig soorten brood en pistolets in de rekken. Vroeger had je dames- en herenfietsen. Kijk hoeveel types er vandaag bestaan. Die differentiatie zie je nu ook in de landbouw.”
De reflex om gewoon harder te werken volstaat niet meer. “Niet denken: we gaan nóg harder werken en dan komt alles goed. Maar ook eens achteroverleunen en nadenken. Wat is mijn bedrijfsvisie? Waar wil ik naartoe?”
Zelfstandigheid blijft een kernwaarde in de sector, maar samenwerking wordt belangrijker. En die samenwerking is er vandaag al, benadrukte hij. “Kijk eens met hoeveel mensen je nu al samenwerkt.”
Cruciaal daarbij is data. Relaes riep landbouwers op om data te delen om efficiënter te werken en administratieve lasten te verminderen. Hij verwees expliciet naar DjustConnect als instrument om gegevens veilig uit te wisselen. “Wees niet bang dat je de regie over je data verliest. Door slim te delen, kan je net controle winnen en dubbel werk vermijden.”
Samen werken aan werkbaar werk
Relaes trok ook een parallel met de medische sector. “Waar zijn nog dokters die dag en nacht rondrijden om hun patienten te bezoeken? Vandaag werken ze in groepspraktijken.”
Dat model biedt ook perspectief voor landbouw: samen administratieve ondersteuning organiseren, taken verdelen, maar ook ruimte creëren voor vrije tijd. “Als we jonge mensen willen blijven aantrekken, moeten we hen perspectief bieden op verlof en sociaal welzijn.”
Het gezinsbedrijf heeft de Vlaamse landbouw gebracht waar ze vandaag staat, benadrukte hij. Het blijft een essentieel fundament. Maar landbouw is ook de enige economische sector die met levend materiaal werkt. Dat vraagt meer dan een 9-tot-5mentaliteit – en dus een doordacht organisatiemodel.
De uitdaging richting 2040 is dan ook helder: niet kiezen tussen familiaal of grootschalig, maar zoeken naar werkbare combinaties van zelfstandigheid, samenwerking en slimme organisatie. Alleen zo blijft het gezinsbedrijf toekomstbestendig: economisch én sociaal.
Tekst en beeld: Gerben Hofman




