Uit de recente rondzendbrief van het FAVV kunnen we concluderen dat het Agentschap de regels voor noodslachtingen heeft aangepast. De belangrijkste wijziging: een dier moet niet langer eerst een ongeval hebben gehad om voor noodslachting in aanmerking te komen.
Tot nu toe was noodslachting vooral mogelijk wanneer een gezond dier door een ongeval plots niet meer vervoerd kon worden. In de nieuwe omzendbrief ligt de nadruk veel sterker op de vraag of het dier nog transportwaardig is én of het nog geschikt is voor menselijke consumptie.
Dat opent de deur voor meer situaties op een melkveebedrijf. Zo vermeldt het FAVV onder meer hypocalcaemie, trommelzucht, het ophouden van de nageboorte en bepaalde ademhalings- of huidproblemen. Ook een prolaps van baarmoeder, vagina of endeldarm kan een reden zijn waarom een dier niet meer mag worden vervoerd.
Niet meer veilig op transport
Concreet kan een koe die bijvoorbeeld door melkziekte niet veilig op transport kan, voortaan in principe toch in aanmerking komen voor noodslachting. De dierenarts moet wel oordelen dat het dier nog geschikt is voor de voedselketen.
Dat betekent niet dat elk ziek dier voortaan noodgeslacht kan worden. Dieren met ernstige algemene ziekteverschijnselen of een mogelijk risico voor de voedselveiligheid blijven uitgesloten. De dierenarts moet elk geval afzonderlijk beoordelen en zijn beslissing motiveren.
Een belangrijk verschil met vroeger is dus dat transportgeschiktheid en geschiktheid voor slacht duidelijker van elkaar worden losgekoppeld. Een dier kan te zwak of te kreupel zijn om nog vervoerd te worden, maar daarom nog niet automatisch ongeschikt zijn voor consumptie.
Ook de voorschriften rond bedwelming, hygiëne, transport van het karkas en het certificaat zijn verder verduidelijkt.
Voor veehouders komt het erop aan om bij twijfel tijdig de dierenarts in te schakelen en niet te wachten tot het dier er slechter aan toe is.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: Pixabay




