De omslag van droog en warm naar natter weer kan gevolgen hebben voor de besmettingsdruk met inwendige parasieten, dat meldt DGZ. Vooral grazende dieren kunnen na regen opnieuw meer worden blootgesteld aan infectieuze larven op het grasland. Of behandeling nodig is, hangt echter af van de mate van besmetting. Parasitologisch mestonderzoek kan helpen om dit vast te stellen. Daarmee kan samen met de dierenarts worden bepaald of ontwormen nodig is.
Vochtige omstandigheden beïnvloeden parasieten
Inwendige parasieten komen voor bij verschillende diersoorten. Tijdens warme en vochtige perioden kunnen parasieten zich gemakkelijker ontwikkelen en verspreiden. Ook vochtige omstandigheden kunnen de overleving van larven bevorderen.
Na een droge periode kan regen daarom de omstandigheden voor parasieten veranderen. Vooral dieren die buiten lopen of grazen, kunnen daardoor opnieuw worden blootgesteld aan infectieuze stadia van wormen. De besmettingsdruk verschilt wel per diersoort, leeftijd, huisvesting en weidegang.
Een verandering in het weer betekent bovendien niet automatisch dat dieren moeten worden ontwormd. Eerst vaststellen of er sprake is van een besmetting kan helpen om gerichter te handelen.
Niet iedere wormbesmetting vraagt om behandeling
Parasitologisch mestonderzoek kan aantonen of er wormeieren, oöcysten of andere parasieten in de mest aanwezig zijn. Oöcysten zijn stadia van eencellige parasieten. De uitslag geeft daarnaast een beeld van de mate van besmetting.
Op basis van de uitslag kan de dierenarts beoordelen of behandeling nodig is. Een lage wormbesmetting hoeft volgens DGZ niet altijd te worden behandeld. Gerichter behandelen kan het gebruik van ontwormingsmiddelen beperken.
Dat is ook relevant vanwege resistentie tegen ontwormingsmiddelen. Door niet standaard te behandelen, maar eerst de besmettingssituatie te beoordelen, kan de inzet van middelen beter worden afgestemd op de behoefte van het dier.
Wanneer is mestonderzoek zinvol?
Er is geen vaste frequentie voor parasitologisch mestonderzoek die voor alle dieren geldt. Volgens DGZ spelen onder meer de diersoort, leeftijd, huisvesting en mate van weidegang een rol. Bij dieren die regelmatig buiten lopen of grazen, kan periodieke controle nuttig zijn. Ook klachten kunnen aanleiding zijn om mestonderzoek te overwegen. Voorbeelden daarvan zijn vermagering, diarree of een doffe vacht. Deze verschijnselen kunnen verschillende oorzaken hebben en wijzen niet automatisch op een wormbesmetting.
Bespreek met de dierenarts of onderzoek nodig is en welk controleschema past bij de dieren en de omstandigheden. Zo kan de behandeling worden afgestemd op de daadwerkelijke besmettingssituatie.
Wie de besmettingssituatie van dieren wil laten controleren, kan nog tot eind augustus gebruikmaken van een kortingsactie van DGZ op parasitologisch mestonderzoek.
Tekst: Esmee Groot Roessink




