De kwaliteit van veevoeder kan invloed hebben op de gezondheid en prestaties van dieren. Volgens DGZ kunnen mycotoxines, giftige stoffen die door bepaalde schimmels worden geproduceerd, aanwezig zijn in veevoeder zonder dat er zichtbare schimmelgroei is. Preventie van de ontwikkeling van mycotoxines begint al op het veld.
Risico ontstaat tijdens teelt en bewaring
Volgens DGZ kunnen schimmels zich ontwikkelen op onder meer granen, maïs, kuilvoer, hooi en stro. Dat kan zowel tijdens de teelt als tijdens de opslag gebeuren. Sommige schimmels produceren daarbij mycotoxines, die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, vruchtbaarheid en prestaties van dieren. Daarom ligt de nadruk op preventie. Volgens DGZ begint dat al op het veld. Gewasschade door insecten, vogels of hagel kan het risico verhogen. Ook natte weersomstandigheden tijdens de afrijping en een beperkte vruchtwisseling worden genoemd als factoren die schimmelontwikkeling kunnen bevorderen. Daarnaast is een goed kuilbeheer belangrijk. Snel inkuilen, voldoende aanrijden en het direct afdekken van de kuil helpen om schimmelgroei te beperken. Beschadigingen aan de folie moeten bovendien snel worden hersteld.
Droge opslag verkleint kans op problemen
Om schimmelvorming zoveel mogelijk te voorkomen moeten hooi en stro volledig droog zijn voordat ze worden opgeslagen. Vocht, condensvorming en temperatuurschommelingen kunnen namelijk de ontwikkeling van schimmels bevorderen. Verder draagt een schone opslagomgeving bij aan het behoud van de voederkwaliteit. Daarom adviseert DGZ om oude voederresten te verwijderen en ongedierte zoveel mogelijk te weren. Ook signalen zoals een muffe geur, broei, verkleuringen of klontervorming kunnen aanleiding zijn om de kwaliteit van het voeder nader te controleren. Volgens DGZ kunnen mycotoxines aanwezig blijven, zelfs wanneer zichtbare schimmelgroei verdwenen is. Daardoor biedt een visuele controle niet altijd voldoende zekerheid.
Signalen van gezondheidsproblemen
Mycotoxines veroorzaken meestal geen specifiek symptoom. Wel kan sprake zijn van een combinatie van gezondheids- en productieproblemen. Denk onder meer aan een verminderde voeropname, groeivertraging, lagere melk- of vleesproductie, vruchtbaarheidsproblemen en een afgenomen weerstand.
Daarnaast kunnen hogere celgetallen, meer gevallen van mastitis, lever- en nierproblemen, pensstoornissen of stofwisselingsproblemen voorkomen. Volgens DGZ kan de pens onder normale omstandigheden een deel van de mycotoxines afbreken. Wanneer de besmettingsdruk hoog is of dieren al verzwakt zijn, kan dat natuurlijke systeem echter minder effectief worden.
Laboratoriumanalyse kan duidelijkheid geven
Omdat mycotoxines niet zichtbaar zijn, adviseert DGZ een laboratoriumanalyse wanneer er twijfel bestaat over de kwaliteit van het veevoeder. Via DGZ Labo kan veevoeder worden onderzocht op veertien veelvoorkomende mycotoxines met behulp van de LC-MS/MS-methode. Wanneer een besmetting wordt vastgesteld, verdient het volgens DGZ de voorkeur om het betreffende voeder niet meer te gebruiken. Als dat in de praktijk niet mogelijk is, kunnen mycotoxinebinders of enzymatische producten worden ingezet om de impact te beperken. DGZ benadrukt daarbij dat dergelijke producten geen vervanging zijn voor kwalitatief en correct bewaard voeder. “Met een goede voederbewaring, correcte opslag en tijdige controle kan je veel problemen voorkomen”, aldus DGZ.
Onderzoek naar mycotoxines
DGZ onderzoekt momenteel de mogelijkheden voor een toekomstig project rond mycotoxines bij rundvee. Daarom vraagt de organisatie Vlaamse rundveehouders om via een vragenlijst input te geven over de uitdagingen en behoeften binnen de sector. Volgens DGZ moeten de resultaten bijdragen aan onderzoek dat beter aansluit bij de praktijk.
Bron: DGZ




