Het aandeel vers gras in het rantsoen van melkvee leidt niet automatisch tot een hoger ruw eiwitgehalte. Dat blijkt uit een analyse van 145 melkveebedrijven over 2024 binnen het project Koe en Eiwit. De resultaten zijn in april 2026 gepresenteerd op een internationaal graslandcongres in Portugal. De onderzoekers zien vooral een rol voor rantsoenmanagement, omdat bedrijven hun voer samenstelling aanpassen aan het gebruik van vers gras.
De bevindingen zijn half april 2026 gepresenteerd tijdens het 31e congres van de European Grassland Federation in Évora, Portugal. Hier delen onderzoekers en specialisten kennis over grasland en ruwvoer. Namens het project Koe en Eiwit lichtten Joas Bos, Martine Bruinenberg en Tamara Wind de resultaten toe.
Analyse van melkveebedrijven
Voor de rantsoenanalyse zijn 145 melkveebedrijven ingedeeld in vier groepen, op basis van het aandeel vers gras in het rantsoen. Het aandeel liep uiteen van gemiddeld 2% in de laagste groep tot 22% in de hoogste. Toch bleef het gemiddelde ruw eiwitgehalte (RE) in het totale rantsoen vergelijkbaar tussen deze groepen.
Volgens de onderzoekers komt dit doordat bedrijven met meer vers gras hun overige voer aanpassen. Zo ligt het RE-gehalte in graskuilen, krachtvoer en bijproducten gemiddeld lager bij deze bedrijven. Daardoor wordt het eiwit uit vers gras gecompenseerd, zonder dat het totale RE-gehalte stijgt.
Rol van rantsoenmanagement
De uitkomsten wijzen erop dat rantsoenmanagement bepalend is voor het uiteindelijke eiwitgehalte. Vers gras kan volgens de onderzoekers worden ingepast zonder verhoging van het totale RE-gehalte, mits bewust wordt gestuurd op de samenstelling van het voer.
Daarbij speelt volgens het project Koe en Eiwit ook vakmanschap een rol. Bedrijfsomstandigheden en kennis van vers gras bepalen in hoeverre dit in de praktijk haalbaar is. De bijbehorende onderzoeksresultaten zijn gepubliceerd in Grassland Science in Europe.




