Door strengere bemestingsnormen en het wegvallen van derogatie komt de nadruk steeds meer te liggen op efficiëntie: hoe haal je met minder input toch voldoende opbrengst én kwaliteit van het land? Daarbij verschuift de aandacht langzaam van tonnen droge stof naar de voederwaarde per hectare. Volgens ruwvoerspecialist Kristian de Boer (Agrifirm) sturen veel veehouders al op VEM per hectare, zonder het zo te benoemen. “Uiteindelijk draait het om het halen van zoveel mogelijk bruikbare energie van eigen land,” zegt hij. “De vraag is: aan welke knoppen moet je draaien om dat te bereiken?”
De voederwaarde wordt uitgedrukt in VEM per hectare (Voeder Eenheid Melk), een kengetal voor de energie die een gewas levert voor melkproductie. De energieopbrengst per hectare wordt steeds belangrijker nu bemestingsruimte onder druk staat en efficiëntie op bedrijfsniveau toeneemt.
Van tonnen droge stof naar voederwaarde
Volgens De Boer is de druk op de bemesting momenteel één van de grootste uitdagingen. “Nu de derogatie eraf is merk ik dat bemesting wel een groot vraagstuk is. Telers zijn vooral bezig met hoe houd ik de kwaliteit van de gewassen op de been.” De beschikbare ruimte wordt kleiner, zeker in NV-gebieden (nutriënten verontreinigde gebieden) waar minder kunstmest mag worden aangevoerd.
Hoewel VEM-opbrengst per hectare steeds belangrijker wordt, ziet hij dat veehouders in de praktijk nog niet bewust met die term bezig zijn. “In de praktijk wordt er eerst gekeken naar de hoeveelheid tonnen. Vervolgens wordt er met de ruwvoerspecialist of de rundveespecialist besproken of de maïs dan toereikend genoeg is om een goed rantsoen van te maken. Uiteindelijk streef je hetzelfde doel na, alleen mijn ervaring is dat de meeste veehouders niet denken in VEM per hectare. Toch wordt er zeker gestreefd naar het halen van een zo hoog mogelijke voederwaarde per hectare.” Daarbij speelt ook het type bedrijf een rol. Extensievere bedrijven zoeken vaker naar alternatieve teelten of spreiding in teelten, wat invloed heeft op de totale VEM-opbrengst.
Rekenen met mest
Om meer VEM van een hectare te halen, is volgens De Boer veel meer nodig dan alleen de juiste rassenkeuze. “Er zijn verschillende knoppen waaraan we kunnen draaien. De eerste tip is altijd: weet wat er in je mest zit.” Zonder inzicht in nutriënten is een bemestingsplan volgens hem weinig effectief. “Breng daarnaast goed in beeld hoeveel mest er daadwerkelijk nodig is op de maispercelen. Giften van 50 tot 60 kuub drijfmest zijn lang niet altijd noodzakelijk. Als je weet wat er in de mest zit, kun je gericht berekenen wat je nodig hebt. Kom je uit op 50 kuub, dan is dat een bewuste keuze.
In de praktijk zie je vaak dat melkveehouders dit soort hoeveelheden aanhouden uit gewoonte, terwijl je soms zonder opbrengstverlies 10 tot 15 kuub minder kunt toedienen. Dat betekent dat we, waar dat kan in de berekende bemestingsadviezen op maisland, al naar een toepassing van 30 tot 35 kuub drijfmest gaan.”
Opvallend is dat mais relatief efficiënt omgaat met lagere bemesting: “We zien dat mais bij een iets lichtere bemesting relatief weinig opbrengstderving geeft, terwijl de grasopbrengst bij een mindere bemesting veel harder zakt.” “Bij mais kun je daarnaast kiezen voor meststoffen met een nitrificatieremmer, waardoor stikstof geleidelijker vrijkomt en beter door het gewas wordt benut,” legt De Boer uit. “Ook het moment van toediening speelt een belangrijke rol: door drijfmest zo dicht mogelijk op het zaaimoment aan te brengen, neemt de efficiëntie van de benutting van meststoffen toe.”
Inkuilen met precisie
“Voor mais is het belangrijk dat het droge stofgehalte bij het bewaren van de mais niet te hoog wordt. Boven de 40% droge stof kan de mais minder goed verdichten en dat betekent meer zuurstof in de maisbult. Daarmee vergroot je de kans op broei en verliest de mais voederwaarde. Daarnaast is het zetmeel minder goed verteerbaar voor de koeien als de mais droger is. Tegelijkertijd moet het drogestofgehalte ook niet lager dan 35% zijn, dan zit er te weinig zetmeel in.” Ook na het inkuilen blijft aandacht nodig: een kuilplaat op maat en een passende voersnelheid voorkomen broei en voederwaardeverlies. “Als je voersnelheid niet past bij de hoeveelheid voer die je hebt, en de kuil blijft te lang liggen, dan gaat de kuil alsnog broeien.”
Winst zit in teeltmanagement, niet alleen in rassen
In de praktijk laten telers volgens De Boer nog winst liggen door te veel nadruk op rassenkeuze. “De meeste rassen op de rassenlijst zijn in de basis hele goede rassen.” Het echte verschil wordt gemaakt in de uitvoering van de teelt. Denk aan een goede verdeling van mest, het benutten van stikstof uit oude zoden en het juiste oogstmoment. “Je kunt bijvoorbeeld mais telen op een perceel waar gras heeft gestaan. Je benut dan de stikstof uit oude graszoden opnieuw voor de mais.”
Ook de grondbewerking is cruciaal. Het tijdig scheuren van grasland zorgt ervoor dat stikstof uit de zode beschikbaar komt voor de mais. “Zorg er daarnaast ook voor dat je een vlakzaaibed hebt, daardoor heb je een veel egalere opkomst. Je krijgt dan een vierkant perceel zoals we dat noemen, alle rijen en de planten binnen die rijen komen gelijk op. Waar veehouders naar mijn mening het meeste verschil kunnen maken is dat de grondbewerking goed is en dat de bemesting in balans is.”
Tekst: Esmee Groot Roessink




