“Die paar gram krachtvoer lijken misschien onbelangrijk, maar ze geven een voorsprong die later niet meer in te halen is.” Met die uitspraak zette Peter Mölder van Denkavit de toon van het eerste onderwerp op het rundveeseminarie op vrijdag 20 februari op de Agridagen in Ravels. Zijn boodschap was duidelijk: een goede start bepaalt het verschil tussen gemiddeld en uitmuntend. Melkveehouder en adviseur jongveeopfok Jasmien Lemaire ondersteunde de boodschap van Mölder met praktijkvoorbeelden.
Peter Mölder, al twintig jaar dierenarts en R&D-medewerker bij Denkavit, vertelde over het uitgebreide databestand van jaarlijks zo’n 400.000 vleeskalveren waarover de producent van voeders voor jonge dieren beschikt. De cijfers tonen telkens opnieuw aan hoe cruciaal de eerste levensweken zijn. “Dit geldt voor vleeskalveren, maar natuurlijk ook voor kalveren die op het melkveebedrijf blijven.”
Mölder legde drie stellingen voor aan het publiek.
1. Water en krachtvoer in één box is teveel werk en kan niet uit
Het aanbieden van water en krachtvoer in de kalverbox vraagt volgens de kalveropfokspecialist inderdaad arbeid. Het moet vers en smakelijk blijven en hygiënisch worden aangeboden. Toch kan het volgens Mölder zeker uit. Het is volgens hem essentieel al op dag drie water én krachtvoer aan te bieden. Dat krachtvoer mag bijvoorbeeld muesli zijn, eventueel aangevuld met wat stro. Vroege opname stimuleert de ontwikkeling van penspapillen en pensspieren. Zelfs als klein knabbeltje kan krachtvoer al wonderen doen. Kalveren die pas op 14 dagen starten met krachtvoer, eten aanvankelijk wel, maar blijven achter vergeleken met kalveren die vanaf dag 3 al wat te knabbelen hebben. Zelfs op zes weken leeftijd ligt hun opname nog lager dan bij kalveren die al op drie dagen begonnen. Binnen Programmakalf, waarbij data van vleeskalveren worden teruggekoppeld naar melkveehouders, blijkt dat bedrijven die vroeg starten met krachtvoer tegen dag 16 gemiddeld al een halve kilo krachtvoer hebben opgenomen. Op zes à zeven maanden leeftijd wegen deze dieren vier kilo meer. Een goede watergift is essentieel in combinatie met krachtvoer. Zonder water kan de pens niet functioneren.
Mölder wees ook nog op de juiste verstrekking van melk aan het jonge kalf. Melk wordt bij voorkeur via een speen verstrekt om pensdrinkers te voorkomen. Wanneer melk in de pens terechtkomt, verstoort dat de penswerking aanzienlijk.
2. Hoe beter de biestvoorziening, hoe beter voor het kalf
Binnen Programmakalf wordt van elk kalf bloed afgenomen om het totaal eiwit (TP = Total Protein) te meten. Bij jonge kalveren geeft dit een duidelijke indicatie van de biestvoorziening. Hoe hoger het TP-gehalte, hoe beter de opname van antistoffen. De cijfers die Mölder op Agridagen toont zijn helder: kalveren met een goede biestvoorziening hebben aanzienlijk minder snel te maken met individuele antibioticabehandelingen. Bij een lage biestopname stijgt dat risico fors. Biest is overigens niet alleen belangrijk vanwege de aanwezigheid van antistoffen, zo werd duidelijk. Het bevat ook groeistoffen, mineralen en vitamines die niet of nauwelijks in gewone koemelk aanwezig zijn.
3. Kalveren groeien het hardst op volle koemelk
Volle koemelk is puur natuur en zorgt inderdaad voor een sterke groei. Maar het verhaal ligt volgens Mölder genuanceerder. Koemelk bevat veel waardevolle nutriënten, maar is niet volledig. Een premix met extra vitamines, mineralen en sporenelementen is nodig voor een goede en gezonde groei. Sommige van die vitamines functioneren als antioxidanten en ondersteunen het immuunsysteem. Zeker bij hoge infectiedruk is dat cruciaal.
Met behulp van cijfers uit Programmakalf laat Mölder zien wat het verschil kan zijn tussen het voeren van koemelk en het voeren van kunstmelk. Binnen Programmakalf wordt het hemoglobinegehalte gemeten. Bij een ijzertekort daalt dit gehalte. Kalveren die koemelk krijgen aangevuld met een premix of die kunstmelk drinken, vertonen doorgaans hogere hemoglobinewaarden dan kalveren die uitsluitend volle koemelk krijgen.
Praktijkervaring uit het Pajottenland
Jasmien Lemaire is melkveehouder in Lennik, in het Pajottenland. Op het familiebedrijf met 150 melkkoeien, 50 zoogkoeien en akkerbouw is zij verantwoordelijk voor de kalveropfok. Daarnaast werkt ze als adviseur jongveeopfok bij Boone-Denkavit.
“Mijn dag bestaat uit kalfjes,” vertelt ze. Ze vindt het belangrijk dat de kalveren het goed doen. “Als het niet loopt zoals het moet, kan ik daar echt slecht van zijn. Dan wil ik het meteen oplossen.” Een onmisbaar hulpmiddel in de kalveropfok op het bedrijf noemt ze de melktaxi. “Ik kan niet meer zonder. Ik heb nu geen gesleur met emmers en heb altijd melk op de juiste temperatuur. Je scant het kalf en weet exact hoeveel melk het moet krijgen.”

Strakke biestaanpak
Op het bedrijf van Lemaire wordt biest standaard gemeten. “De kwaliteit verschilt sterk van koe tot koe.” Overtollige eerste biest wordt ingevroren, onder meer omdat er bij het vleesvee soms een tekort is. Nadien krijgen kalveren tweede biest, zo lang mogelijk. Op het bedrijf zien ze dat dit goed is voor de gezondheid van de kalveren. Vaccins komen beter tot uiting. Belangrijk is wel de biest in te vriezen in de frigo. Het kiemgetal verdubbelt anders namelijk elke twintig minuten.
Water, elektrolyten en routine
’s Middags krijgen de kalveren lauw water met elektrolyten uit een gewone emmer. “We zien duidelijk verschil. Ze drinken het graag en houden hun vochtbalans beter op peil
Volgens Lemaire zit succes vaak in vaste gewoontes en strikte protocollen. Bijvoorbeeld het invriezen van biest of het ontsmetten en in de vriezer bewaren van de sonde. Ook wanneer het druk is, mogen routines niet verslappen. “Laat gerust eens iemand extern meekijken. Een frisse blik ziet soms wat je zelf niet meer ziet.”
Infecties zullen er altijd zijn stelt Lemaire. “Maar het is een kwestie van snel zien, snel handelen en snel aanpakken. Als je kalveren echt gezond en sterk houdt, kunnen ze veel meer aan dan we soms denken.”
Tekst en beeld: Gerben Hofman




