Een mestinjecteur die drijfmest op 15 centimeter diepte in grasland aanbrengt, biedt mogelijkheden om de ammoniakemissie te verminderen. Uit onderzoek van het Louis Bolk Instituut binnen het programma Bemest op z’n Best blijkt echter dat de techniek ook zodeschade veroorzaakt en een lagere grasopbrengst oplevert dan zodenbemesting. Verdere ontwikkeling van de mestinjecteur is daarom nodig.
In 2024 en 2025 onderzochten onderzoekers van het Louis Bolk Instituut de effecten van verschillende bemestingstechnieken op blijvend grasland op zandgrond. Daarbij werd gekeken naar de gevolgen voor de graszode, bodem, grasopbrengst, voederwaarde en het nitraat- en ammoniumresidu in de bodem.
In totaal werden zes bemestingsmethoden met elkaar vergeleken. Naast een onbehandeld perceel onderzochten de onderzoekers het effect van een mestinjecteur, een zodenbemester en kunstmest. Bij de mestinjecteur werd 30 kuub drijfmest per hectare vóór de eerste snede toegediend. Bij de zodenbemester werd zowel een eenmalige gift van 30 kuub als een verdeling van 20 kuub vóór de eerste snede en 10 kuub vóór de tweede snede onderzocht. Ook bij kunstmest werden deze twee bemestingsmomenten vergeleken, met een vergelijkbare werkzame stikstofgift.
Mestinjecteur brengt drijfmest dieper in de bodem
De mestinjecteur van Pelgreen is gebaseerd op het principe van mestinjectie op grasland, waar eind vorige eeuw al uitgebreid onderzoek naar is gedaan. Uit eerder onderzoek blijkt dat deze techniek een zeer lage ammoniakemissie en een relatief hoge benutting van de bemesting kan opleveren.
Bij de doorontwikkelde mestinjecteur staan de elementen 50 centimeter uit elkaar. Een puntvormige voet snijdt door de graszode en tilt deze iets op, waarna de drijfmest op ongeveer 15 centimeter diepte wordt toegediend. Vervolgens drukt een aandrukwiel de zode weer op zijn plaats.
Tijdens een demonstratie in het voorjaar van 2024 werd de werking van de mestinjecteur getoond.
Nauwelijks ammoniakemissie, maar wel zodeschade
De mestinjecteur bracht de drijfmest volledig onder de graszode aan. Hierdoor bleef er na het bemesten geen mest zichtbaar aan het bodemoppervlak. De ammoniakemissie was daardoor naar verwachting nihil.
Bij de zodenbemester werd de mest op een diepte van 3 tot 7 centimeter in sleuven aangebracht. Daarbij bleef 2 tot 8 procent van het bodemoppervlak bedekt met mest.
De diepere mestplaatsing had echter ook nadelen. Bij de mestinjecteur raakte 13 procent van het zodeoppervlak beschadigd. De bodem rondom de injectiesleuven kwam enkele centimeters omhoog. Zelfs tijdens het maaien van de eerste snede was deze schade nog duidelijk zichtbaar. Het droge voorjaar van 2025 heeft dit effect mogelijk versterkt.
Bij de zodenbemester bleef de bodem ongeveer op dezelfde hoogte liggen.
Lagere grasopbrengst bij mestinjectie
De verschillen tussen de bemestingstechnieken waren ook terug te zien in de grasopbrengst. De hoogste totale drogestofopbrengst over vier sneden werd behaald met de zodenbemester, waarbij de drijfmest over de eerste en tweede snede werd verdeeld. Deze behandeling leverde 10,5 ton droge stof per hectare op.
Bij de mestinjecteur bleef de opbrengst met 8,7 ton droge stof per hectare significant lager.
Ook de stikstofwerking verschilde. Bij de zodenbemester, met een verdeling van de mest over de eerste en tweede snede, bedroeg deze 59 procent. Bij de mestinjecteur was dit 24 procent.
Volgens de onderzoekers waren de lagere grasopbrengst en stikstofbenutting bij de mestinjecteur waarschijnlijk grotendeels het gevolg van de droge bodemomstandigheden in het voorjaar. Het gras groeide moeilijk terug op de open plekken die de injecteur tijdens het bemesten achterliet.
In de voederwaarde en mineralengehalten van het gras werden geen systematische verschillen tussen beide technieken gevonden.
Verschillen in bodemverdichting
Naast de grasopbrengst en stikstofbenutting werd ook gekeken naar de gevolgen voor de bodem. Twee keer bemesten met de zodenbemester veroorzaakte gemiddeld meer bodemverdichting op een diepte van 10 tot 20 en 20 tot 30 centimeter dan bemesting met de lichtere mestinjecteur.
De onderzoekers vonden geen significante verschillen in bodemvocht tussen de mestinjecteur, zodenbemester en kunstmest. Ook werden er geen aanwijzingen gevonden voor nitraatuitspoeling bij mestinjectie.
Verdere ontwikkeling van mestinjecteur nodig
Volgens Bemest op z’n Best heeft de mestinjecteur potentie om de ammoniakemissie bij het bemesten van grasland met drijfmest te verminderen ten opzichte van zodenbemesting. Doordat de mest volledig onder de graszode wordt aangebracht, blijft er geen mest aan het oppervlak achter.
Tegelijkertijd laten de onderzoeksresultaten zien dat de techniek onder droge omstandigheden zodeschade kan veroorzaken, met een lagere grasopbrengst als gevolg.
Daarom zijn verdere optimalisatie van de mestinjecteur en meerjarige praktijkproeven onder verschillende weersomstandigheden nodig. Daarmee moet worden onderzocht hoe de zodeschade en de bijbehorende opbrengstverliezen kunnen worden beperkt.
Bron: Bemest op z’n Best
Beeld: Lukas Minkema

![1000 NL Lukas Minkema - New Holland T7.250 met een Joskin 12 M3 mesttank [loonwerk]](https://www.melkveebedrijf.be/content/uploads/2026/10/1000-NL-Lukas-Minkema-New-Holland-T7.250-met-een-Joskin-12-M3-mesttank-loonwerk.jpg)


